In de eerste helft van de 20e eeuw telde Nederland een groot aantal zeer getalenteerde wiskundigen. Wij noemen Hendrik en Jan de Vries, Fred. Schuh (die ook nog populaire boeken schreef over wiskundige puzzels), Pieter Wijdenes, Gerrit Mannoury (behalve links-radicaal een liefhebber van de goochelkunst), (Eg)bertus Brouwer (die de grondslagen der wiskunde betwijfelde), Obe Postma (buitendien dichter en landbouwhistoricus) en nog vele anderen, die we in dit A & G - dossier aan u gaan voorstellen. Wijdenes en Schuh zijn gelet op hun publicaties en didactische vermogens in die periode wel van de grootste betekenis geweest voor het wiskunde-onderwijs in ons land. In deze aflevering: Pieter Wijdenes.

Reeds verschenen in deze reeks:
Fred. Schuh


PIETER WIJDENES 1872-1972

Pieter Wijdenes werd op 22 december 1872 als derde kind in een groot landbouwersgezin geboren te Opperdoes onder Medemblik. Hij bezocht de lagere school (een tweemansschool waar, naar hij later besefte, uitstekend onderwijs werd gegeven) te Nibbixwoud, waarheen zijn ouders in 1879 waren verhuisd. Het hoofd van de school was T.N. van der Ley, lid van een bekend onderwijzersgeslacht, wiens broeders L.A.E. van der Ley (kweekschoolleraar te Middelburg) en P.H. van der Ley (kweekschooldirecteur te Haarlem) zich in een later stadium met Pieters ontwikkeling zouden bezighouden.

Na de lagere school doorliep Pieter de voorbereidende klas van de Normaalschool te Hoorn (hetgeen een dagelijkse wandeling van 9 km heen en terug betekende) en verwierf op veertienjarige leeftijd door een vergelijkend examen (waarvoor hij als nummer één slaagde) toelating tot de kweekschool voor onderwijzers te Middelburg en een beurs van f 300 per jaar. Zijn onderwijzersakte dateert van 1891; zijn beste vakken waren aardrijkskunde en geschiedenis (!). Op tijdelijke aanstellingen te Middelburg en Diemerbrug volgde aanstelling in vaste dienst met ingang van 1 januari 1892 als onderwijzer aan de openbare lagere school op de Lauriergracht te Amsterdam (een benoeming op zo jeugdige leeftijd was in die jaren in Amsterdam een zeldzaamheid!): aanvangssalaris f 600 per jaar, met verhoging na één en twee jaar tot f 800 resp. f 1000, telkens na een proefles ten overstaan van een deskundige.

Bijna geheel door zelfstudie (voor natuurkunde nam hij les bij P.H. van der Ley te Haarlem) verwierf hij de hoofdakte (1895) en daarna achtereenvolgens de akten tekenen en wiskunde L.O. en de akten wiskunde (1899, 1901) en boekhouden M.O. (KI, KV en KXII). Ter voorbereiding van het KV-examen volgde Wijdenes als toehoorder de colleges van D. J. Korteweg en A.J. van Pesch, die mede te zijnen gerieve (!) van 12 tot 1 uur 's middags werden gehouden; dit betekende dat hij viermaal in de week tussen twee schooltijden naar de Oude Manhuispoort moest. Onder het gehoor van deze hoogleraren leerde hij enige studenten kennen wier namen later in de wiskunde-wereld een bekende klank zouden krijgen: H.J.E. Beth, L.E.J. Brouwer, L. Crijns.

Thans bevoegd tot het geven van wiskunde-onderwijs in de eerste drie klassen van een HBS, solliciteerde Wijdenes naar Almelo en had daarbij de medewerking van de inspecteur K. ten Bruggencate, de auteur van het bekende Engelse woordenboek. Benoeming aan de HBS aldaar volgde op 1 februari 1902, precies tien jaar na zijn entree op de Amsterdamse Lauriergracht. Tijdens zijn vijfjarig verblijf te Almelo leidde hij ook talloze onderwijzers uit Twente op voor de akte wiskunde L.O.; onder hen bevond zich H.G.A. Verkaart, schoolhoofd te Haaksbergen, later te Roermond, die van de oprichting in 1913 af 25 jaar lang samen met hem het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde zou redigeren.

Van 1907 tot 1911 was Wijdenes leraar aan de driejarige HBS aan de Kortenaerstraat te Rotterdam en van 1911 tot 1925 aan de driejarige HBS aan de Weteringschans te Amsterdam (directeur: de latere minister van onderwijs Bolkestein (1871-1956, grootvader van de huidige eurocommissaris en voormalig minister en kamerlid Frits Bolkestein). Als auteur van wiskundeboeken is Wijdenes sedert 1907 werkzaam geweest; van dat jaar dateert ook de relatie met de uitgever P. Noordhoff te Groningen, die werd voortgezet met de Erven P. Noordhoff NV en - nog later - met de NV Wolters-Noordhoff. De vele tientallen school- en studieboeken van zijn hand hebben een onuitwisbaar stempel gedrukt op het Nederlandse wiskunde-onderwijs in de eerste helft van de 20e eeuw; zijn 'Algebra voor MULO', verschenen in 1912, beleefde zelfs 70 drukken.

De toenemende mate waarin de publicistische arbeid beslag op hem legde, deed Wijdenes besluiten in december 1925 ontslag uit de dienst van de gemeente Amsterdam te nemen. (Het tijdstip van het ontslag werd evenwel voornamelijk bepaald door de weigering van de wethouder van onderwijs, hem een langdurig verlof 'buiten bezwaar' toe te kennen; hij wilde dat verlof besteden aan een wereldreis, die hem voor ogen stond (en die ook is doorgegaan. Uit het van die reis bijgehouden dagboek blijkt zijn oude liefde voor de aardrijkskunde.)

Tot die publicistische arbeid moet vooral ook worden gerekend zijn redacteurschap van het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde (1913-1938). Zijn doel daarmee: een tijdschrift ter begeleiding van de studie voor de akten wiskunde L.O. en KI, werd volledig bereikt. Die studie ging hem zeer ter harte: samen met P. Jansen, directeur van de gemeentelijke kweekschool, en W.J. Heijdeman, directeur van de MTS, verzorgde hij in de twintiger jaren een gerenommeerde opleiding voor de akte KI. Zijn beste leerlingen op deze cursus, K. Harlaar en H. Herreilers, werden zijn naaste medewerkers en hebben zich later zelfstandig aan de opleiding voor M.O.-kandidaten gewijd; beiden zijn ook vele jaren als redacteur van het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde opgetreden. De 75e jaargang (1987/88) was de laatste van het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde: in 1988 werd het opgeheven.

Ook de oprichting, in 1924, van Euclides, maandblad voor de didactiek van de exacte vakken (waarvan de eerste drie jaargangen verschenen onder de titel Bijvoegsel van het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde), was Wijdenes' werk. Voorts had hij een belangrijk aandeel in de totstandkoming van de wetenschappelijke periodieken Christiaan Huygens (later met het Belgische Wis- en Natuurkundig Tijdschrift verenigd tot Simon Stevin) en Compositio Mathematica.

De ongelooflijke omvang van Wijdenes' oeuvre (in jaargang 50, blz. 146-158, is daarvan met een niet geheel geslaagde poging tot volledigheid een overzicht gegeven) verraadt ijzeren wilskracht en zelfdiscipline, alsmede een volkomen negeren van de drempel van 'de oude dag' die hij een kwart eeuw geleden overschreed. Het was alsof hij de juistheid wilde bewijzen van door hem vaak gebruikte aforisme: 'La vie ne sert qu'à deux choses: à apprendre les mathématiques, et à les enseigner'. Maar wij achten onder al zijn verdiensten de grootste - en het zij met nadruk gezegd, omdat het besef daarvan bij de huidige generatie te nauwer nood nog leeft - zijn bijdrage tot de emancipatie van de onderwijzersstand. Zelf voortgekomen uit de kringen van het lager onderwijs kende hij precies de mogelijkheden en de moeilijkheden die de voortgezette studie van onderwijzers bepaalden; bij het gemis van elk contact met de universiteit was het voor de onderwijzer in de eerste helft van de 20e eeuw bepaald niet eenvoudig, goede leerstof en leiding bij die studie te vinden. Met zijn standaardwerken en de door hem verzorgde opleidingen heeft Wijdenes voor talloos velen de weg naar het leraarschap en verder geopend en geëffend.

In de ogen van velen hadden Wijdenes' uitzonderlijke onderwijskundige verdiensten haar erkenning en waardige bekroning behoren te vinden in een ere-doctoraat. Het heeft niet zo mogen zijn, dat deze - naar wij menen te weten ook bij hém sluimerende - wens in vervulling ging. Aan andersoortige waardering heeft het hem niet ontbroken: op zijn tachtigste verjaardag werd hij

benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau en boden het Wiskundig Genootschap en de lerarenvereniging Wimecos hem het erelidmaatschap aan, op zijn negentigste verjaardag viel hem een grootse huldiging door oud-leerlingen, leraren en hoogleraren uit binnen- en buitenland ten deel en in talrijke binnen- en buitenlandse publicaties is hem verdiende lof toegezwaaid. En ten slotte zullen - al maakte hij de indruk, met gewoon-menselijke emoties slecht raad te weten - de blijken van dankbaarheid van de zeer velen die daartoe aanleiding hadden hem niet onberoerd hebben gelaten.

Pieter Wijdenes overleed op 17 februari 1972 te Amsterdam. Daarmee was een zeer rechtlijnig, maar zeldzaam boeiend mensenleven ten einde.

Bronnen:
F. Henneman en W.A. van der Spek: "Levensbeschrijving van Pieter Wijdenes". In: Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde, jrg. 59, afl. 4, mrt. 1972, p. 215-216. Dit is bovenstaand artikel, zij het met een enkele correctie (dat het "Wiskundig Tijdschrift" (1904-21) en "De Vriend der Wiskunde" (1886-1916) in 1913 in het NTvW zouden zijn opgegaan, is onjuist) en aanvulling.
Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde, jrg. 50 (1962/63), p. 146-158.
Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde, jrg. 35 (1947/48), nr. III/IV.
Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde, jrg. 26 (1938/39), p. 1-2 (Hk. de Vries: "Een woord tot afscheid, en ter verwelkoming")
Euclides, 26e jrg. 1950/51, nr. 1, ("Wijdenes-Nummer"), p. 1-48.