schrijf!

T & R jrg. 2016 aflev. 2
terug


Rekenen


Oefenopgaven

Opgaven (zonder de oplossingen) die in de volgende T & R gepubliceerd zullen worden, zodat u er alvast uw krachten op kunt beproeven:

1. Iemand is zoveel jaar beneden de 100 jaar als een ander maanden beneden de 360 maanden. Hoe oud zijn ze, als de eerste tweemaal zo oud is als de tweede?.

2. Een vader is 49 jaar en zijn vijf kinderen hebben resp. de leeftijd van 5, 6, 7, 8 en 9 jaar bereikt. Na hoeveel jaar zijn de kinderen tweemaal zo oud als de vader?.

3. A. B en C hebben samen een aantal guldens. Geeft A aan B f. 20, dan hebben B en C samen 14 maal zoveel als A. Geeft B aan A f. 20, dan hebben A en C samen 4 maal zoveel als B. Als C f. 10 minder heeft dan A en B samen, hoeveel gulden heeft dan ieder? .

4. V, W en Z spelen. Bij het eerste spel wint V 6 ct. van W en nu heeft deze 5/7 van de centen van de ander. Bij het tweede spel wint Z 7 ct. van W; als Z nu 10 ct. meer heeft dan W en het 4/5 gedeelte van de centen van V, hoeveel cent had dan elk van hen vóór het spel?.

5. Een leeg vat weegt 36 kg. Wordt het gevuld met een vloeistof, waarvan het soortelijk gewicht 1,1 is, dan weegt het vat 7/6 maal zo zwaar als wanneer het wordt gevuld met een andere vloeistof, waarvan het soortelijk gewicht 0,9 bedraagt. Hoe zwaar weegt het vat, als het met water gevuld is? .

(Naar diverse opgavenverzamelingen, ca. 1900).


Taal

Oolbekkink on Scott Fitzgerald

H.J. Oolbekkink (1931-2012) was een schrijver en journalist, van wie u waarschijnlijk nog nooit gehoord had, voor u dit las. Want horen en zien kunnen wel degelijk samengaan. Het was zelfs ooit de naam ("Gehoord & Gezien") van een veelgelezen krantenrubriek. Van P.W. Russel in het Algemeen Dagblad om precies te zijn. Die sloot soms af met een gezellige uitsmijter als: "Het beste met je been en vergeet de vuilnisbak niet buiten te zetten, want het is woensdag vandaag." Tijdje terug natuurlijk, vóór de introductie van de plastic vuilniszak, en helemaal voor de invoering van ondergrondse vuilniscontainers, want alles wat je kwijt wilt langs de stoeprand zetten waarna het zonder problemen wordt opgehaald, is er allang niet meer bij.

Maar goed, terug naar Oolbekkink. Hij was schrijver van enkele verdienstelijke romans, hoewel die niet het niveau hebben van het werk van Reve, Mulisch of Hermans, maar is later overgestapt op wat men met "thriller" of "detective" pleegt aan te duiden. Misschien zou je hem nog het best (best zonder het zeggen ze in Vlaanderen) kunnen vergelijken met Ab Visser, die later ook tot dit meer profijtelijke genre is overgegaan.

Vroeger, dat is voordat er internet was (een cesuur die in de plaats lijkt gekomen van "de oorlog") moest je schrijvers zelf ontdekken. Wij voor ons deden dat aan de hand van bloemlezingen als het onvolprezen "Kompas der Nederlandsche letterkunde", een van de eerste uitgaven van "De Bezige Bij", eigenlijk ook een primitief soort internet dus. Oolbekkink diepten wij op uit de boekjesreeks "Singel 262" (1948 vv.) waarmee Querido haar fondsauteurs onder de aandacht bracht. Zo kwam je dan bij een auteur terecht, wiens boeken je leende bij de Openbare Bibliotheek. Want boeken, die kocht je niet, die leende je. Een boek kreeg je hoogstens als cadeau op je verjaardag. Zo beschouwd is de enorm gestegen welvaart een van de redenen dat bibliotheken hun deuren moeten sluiten. Cultuur bloeit op armoe. Boeken hoeven niet meer geleend te worden.

In de Singel 262-editie van 1956, "Achttien schrijvers kiezen een boek" met als thema "Welk boek zou u zelf geschreven willen hebben?" is Oolbekkink present met een bijdrage en een foto. Vooral die foto is karakteristiek. Alle ingrediënten die een schrijver tot een schrijver maakten, of misschien beter tot een journalist, wat Oolbekkink toch eigenlijk vooral was, zijn erop aanwezig. Een volgestapeld bureau, een flesje Quink vulpeninkt, een pot gluton om knipsels te plakken, een schrijfmachine, een boekenkast op de achtergrond, en niet te vergeten de schrijver zelf, die een gehaaste indruk maakt, alsof er een of andere deadline gehaald moet worden, natuurlijk met sigaret. Wie rookte er niet in die tijd?

Oolbekkinks bijdrage heet "De eerlijkheid van Fitzgerald". Hij verzucht: "Het is Scott Fitzgeralds 'Tender is the night' - het boek, dat ik geschreven zou willen hebben. Hoewel, de bescheidenheid die zelfs de ijdelste onder ons nooit geheel terzijde zal kunnen schuiven, maakt nuchter en als ik in het afstervende licht van de vroege meiavond (het is hard, onvermengd licht, wie noemt het toch altijd romantisch?) mijn rijtje Fitzgeralds langs kijk, voel ik me als een leerling-metselaar, die zegt dat hij het Paleis op de Dam gebouwd zou willen hebben. Een romancier mag, oog in oog met het wachtende papier, zijn bescheidenheid echter verdoezelen, en daarom - ja, 'Tender is the night'. Eigenlijk het hele oeuvre van Scott Fitzgerald, vanaf 'This side of paradise' tot aan 'Tender', zijn laatste roman, maar vooral die laatste.

En wat is dat dan merkwaardig: steeds als me gevraagd wordt - en hoe vaak wordt die vraag niet gesteld? - wat mijn liefste boek is, aarzel ik. Ik probeer erom heen te draaien, om mezelf heen, om de keuze heen. Het is inderdaad zelfbedrog als ik Hemingway, Schulberg of Miller - jawel, mijn favorieten zijn Amerikanen - in gedachten neem. Ik keer toch steeds terug tot Fitzgerald. En via 'The great Gatsby' terug bij 'Tender is the night'. Heel vreemd is het dus, dat ik, als ik de titel van de definitieve keuze wil noemen, steeds terecht kom bij 'The beautiful and damned'. Ik weet welk boek ik bedoel, ik zeg: 'Je weet wel, dat verhaal over Dick en Nicole Diver' en als men dan zelf de naam nog niet invult zeg ik met een 'Eureka'-gebaar: 'Ja, natuurlijk, 'The beautiful and damned', terwijl mijn achterhoofd bijzonder goed weet, dat ik 'Tender is the night' bedoel. Een onbegrijpelijk misverstand, dat me reeds vaak heeft gekweld. Misschien valt het te verklaren uit het feit, dat men de naam van een stille geliefde evenmin luidkeels annonceert.

Kijk, en daar gaat de vergelijking al wat scheef. Want Fitzgerald is geen stille geliefde, ik durf voor die liefde uit te komen, ook al zou me dat hier en daar verweten worden. Francis Scott Fitzgerald, de beschrijver van de uitbrekende, lol trappende, pijn en vreugde uitschreeuwende generatie van na de eerste wereldoorlog, is een figuur die gemakkelijk tot misverstanden aanleiding zou kunnen geven, zeker in dit door Calvijn gedirigeerde land. Hij was de beschrijver van wat Frederic Lewis Allen in 'Only yesterday' noemt: de 'eat-drink-and-be-merry-for-tomorrow-we-die-spirit', de losmaker van zijn generatie, de ontmaskeraar van de sociale hypocrisie, die men tegenwoordig met een van heimwee vervuld glimlachje het Victoriaanse tijdperk noemt, daarbij alleen denkend aan bewerkelijke stoeltjes en kant en ruches - niet aan de verstikking van het leven.

Toen Europa zich in de 'twenties' vermoeid oprichtte, barstte Amerika los in de Charleston, een excessieve reactie op de (her-)ontdekking van de eigen cultuur, een eigen bewustwording. En Scott Firzgerald was één van de auteurs, die deze zelfbewustwording van een natie hebben vastgelegd. Hij wilde voortdurend naar Europa, maar als hij er was liep alles stuk. Parijs was een heerlijke stad, maar hij beleefde er zijn catastrofes, de Rivièra was een verrukkelijk oord, maar werd ontdekt door het toerisme ... Op deze normen is Dick Diver, de jonge dokter uit 'Tender is the night' gebaseerd; een zoeker, die zijn vondsten niet kon of durfde verwerken, een weifelende, tastende egoïst met een ruim, deernis voelend hart.

Men zal wijzen op Fitzgerald de drinker, zoals men op Dylan Thomas de drinker wijst. Daar zijn de verhalen van de ontvoerde kelner, die men doormidden wilde zagen, om te zien of hij gevuld was met serviesgoed en spijskaarten; van Fitzgeralds vrouw, Zelda, die in een Parijse fontein dook, alleen maar om eens wat anders te doen. Men wijst altijd op excessen, zonder de lust te voelen achter de façade van uiterlijkheden te speuren naar oorzaken. God ja, Scott Fitzgerald dronk zich dood, maar daar staat dan dat rijtje boeken, dat tussen al die drankorgieën door tot stand kwam en ik zou willen dat ik kon beeldhouwen om een man, die er recht op heeft, een standbeeld te geven. Maar standbeelden behoren hoogstens van generaals en prinsen gemaakt te worden, want zij hebben het nodig in brons of steen onthouden te worden, omdat er anders niets overblijft. Geen standbeeld dus, maar wel elk jaar die boeken herlezen.

Fitzgerald was de kroniekschrijver van de 'lost generation', die het geknetter van feestbommen liet samenvallen met de dreunende klap van Wall Street. Hij had van zijn vader geleerd altijd beleefd te zijn en op te staan als een oudere dame de kamer binnenkwam. En hij stond op, ook als hij dronken was. Dat doe ik ook, al schrijf ik geen 'Tender is the night'. Ik zou het willen, maar ik durf er niet aan te denken.

De 'lost generation' dus. Fitzgerald was er integraal mee verbonden, men mag wel zeggen: hij was haar voorman. Hij gleed even onontkoombaar over toppen en door dalen als de figuren in zijn boeken: Amory Blaine (This side of paradise), Anthony Patch (The beautiful and damned), Dick Diver (Tender is the night) - ze zijn de literaire projecties van een vrijwel uitsluitend autobiografisch schrijver en hun integriteit (want zelden zal een auteur zo diep in zijn karakters verankerd liggen als Fitzgerald) is van een waarde, die, naar mijn gevoel, nog belangrijker is dan hun literaire potentie.

Ik ben er wel zo ongeveer: de eerlijkheid van Fitzgerald in al zijn boeken treft mij het diepst. Als hij er al eens toe komt een figuur te 'glamorizen' staat daar altijd de zelfspot gereed om een ironische vinger op te steken. Fitzgerald heeft steeds zichzelf herkend en dat is, dacht ik, een eigenschap, waar een schrijver, of hij er vreugde of verdriet aan beleeft, dankbaar voor moet zijn. Verdriet zal het trouwens wel meestal zijn, want rücksichtsloze eerlijkheid is een stootblok waar men zich snel aan wondt.

Maar hoezeer Fitzgerald er niet aan ontkwam, wordt wel volmaakt duidelijk uit zijn 'General Plan', de synopsis voor 'Tender is the night'. In zijn eerste ontwerp zegt hij: 'The novel should do this. Show a man who is a natural idealist, a spoiled priest, giving in for various causes to the ideas of the haute bourgeoisie, and in his rise to the top of the social world losing his idealism, his talent and turning to drink and dissipation'. En: 'The hero born in 1891 is a man like myself brought up in a family sunk from haute bourgeoisie tot petite bourgeoisie, yet expensively educated'. In deze regels heeft Fitzgerald zich zelf haarscherp getekend en omdat hij deze sfeer in 'Tender in the night' met bittere volharding heeft vastgehouden (het beeld van de man die 'more and more to pieces, always keeping up a wonderful face') is dat, ik weet het nu heel zeker, het boek dat ik geschreven zou willen hebben."