schrijf!

T & R jrg. 2014 aflev. 2
terug

REKENEN


Oefenopgaven

Opgaven (zonder de oplossingen) die in de volgende T & R gepubliceerd zullen worden, zodat u er alvast uw krachten op kunt beproeven:

1/ Een leerling moet een getal deelen door 35. Hij deelt het door 5 en vervolgens het quotient door 7. Als de rest der eerste deeling 2 en die der tweede deeling 3 was, welke rest zou hij dan hebben verkregen, als hij het getal door 35 gedeeld had?

2/ Deel ik een getal door 3, het quotient door 4, het komende quotient door 5 en het nu verkregen quotient door 6, dan krijg ik bij elke deeling 1 tot rest; wat zal de rest zijn als ik dat getal in eens door 3x4x5x6 deel?

3/ Bepaal de drie weggelaten cijfers in de opgaande deeling - - - 1567 : 247.

4/ Zoek het kleinst mogelijke getal, dat, gedeeld door 36, of 100, of 169, in ieder dezer gevallen den vierkantswortel van den deeler tot rest zal geven.

5/ Toon aan, dat de som van een reeks op elkaar volgende oneven getallen, die met 1 begint, een kwadraat is.

(Naar diverse opgavenverzamelingen, ca. 1890)


TAAL

Boeken, vol met taal. We kunnen er maar niet genoeg van krijgen, vooral als ze op papier zijn gedrukt. Dat verrukkelijke, naar papier geurende papier. Of naar geurloze drukinkt. De teloorgang van het papieren boek moge dan schier onstuitbaar zijn, het is er nog steeds. Hoe lang nog weet niemand. Wij hadden eens een oude buurman, die de oorlog nog had meegemaakt. Het tuinhek kraakte, maar hij maakte zich geen zorgen."Het zal mijn tijd wel uitdienen", zo zei hij. En hij heeft gelijk gekregen. Daarom bespreken we dit keer weer twee boeken. Gewoon, van papier.

Het eerste is geschreven door J.B. Schuil (1875-1960), een befaamd jongensboekenschrijver. Zijn beste boek is "Rob en de stroper van Tjot-Idi", dat eerst "Doodverklaard" (1928) heette, maar in latere drukken hernoemd is. Misschien vond de uitgever de originele - veel betere - titel te eng voor de jongelui, die het moesten lezen. Wie zal het zeggen?

Een zekere Rob, een Hbs-scholier, is in dit boek de hoofdpersoon. Goudeerlijk is-ie, hoewel hij ook wel eens spiekt, maar dat is dan ook alles. Spieken is een obsoleet woord voor afkijken, al zal dit laatste door de huidige informatietechniek ook wel achterhaald zijn. Of gewoon niet meer nodig, omdat je niets meer hoeft te weten, dus ook niet overhoord wordt. We moeten het toch even vermelden, omdat het in het boek een belangrijke rol speelt.

Er is namelijk een meetkunderepetitie op til. Die is zo vreselijk moeilijk, dat Rob en zijn kameraden er een hard hoofd in hebben. "Het moest verboden worden, zoiets moeilijks te willen weten!" zo vindt er een. "Als we de opgaven nu eens hadden..." oppert een ander. "Ja, als..." verzucht een derde. Tot plots een klein ventje zegt, dat-ie ze heeft gezien. "Op het bureau van de ouwe!" zo weet hij. "Ze zaten in een map. Daar stond op: meetkundeproefwerk klas 3b!" De ouwe, dat moeten we nog even toelichten, was de rector, de schooldirecteur dus. "En dat zeg je nu pas!" bitst Jaap Kroon. "Ja, wat had je dan gedacht?" repliceert het kleine ventje. "Dattie zei: hier Pim, heb je de opgaven al vast. Niemand vertellen hoor!" Een bulderend gelach klinkt over het schoolplein. Maar Jan Kroon, de broer van Jaap, fronst het voorhoofd. Daarachter rijpt een gedachte. Een heel lelijke gedachte. Om de opgaven te gaan stelen!

Hoe actueel dit is, en tegelijk van alle tijden, blijkt uit de recente gebeurtenissen op een islamitische school in Rotterdam. Maar terug naar 1928. Daar weten Jan en Jaap Kroon, twee opgeschoten jongens, de kleine Pim over halen 's avonds via een openstaand bovenraampje de kamer van de rector binnen te klimmen en de opgaven te ontvreemden. Natuurlijk onder trillende spanning, want stel je voor dat "de ouwe" ineens zou binnentreden, bijvoorbeeld omdat hij zijn zilveren sigarenkoker vergeten was. Maar dat gebeurt niet, en alles gaat goed. Nu ja, behalve dan een kleine omissie. De schrijver is even vergeten, dat de rector de gestolen opgaven mist, want ze worden niet snel overgeschreven, of ook maar ingekeken en onthouden, en daarna gauw teruggelegd. Nee, Pim steekt de opgaven in zijn zak zonder zich om de gevolgen te bekommeren.

En dan Rob. Als Jan en Jaap goede sier maken met de gestolen opgaven op het schoolplein, houdt Rob zich afzijdig. Als de anderen hem de opgaven min of meer opdringen, houdt hij de boot af. "Ik wil geen gestolen opgaven!" zegt hij ferm. En als dan de repetitie daar is, haalt iedereen een tien. Rob komt met pijn en moeite tot een zesje.

Natuurlijk ruikt de rector al gauw onraad. Niet zozeer omdat de lucht van Pim nog in zijn kamer hangt of dat de opgaven verdwenen zijn, want dat was de schrijver ontschoten en dus de rector ook, maar als de grootste tobbers ineens een tien halen, terwijl de beste leerling van de klas zit te "rijden" (een van de vele verrukkelijke archaÔsmen in dit boek) is er iets niet in de haak. In die veronderstelling wordt "de ouwe" bevestigd door een anoniem briefje. Hij laat een nieuw proefwerk maken, met andere opgaven, en de bedriegers vallen alras door de mand. Evenwel ontkennen ze desgevraagd glashard, dat ze de opgaven van de eerste repetitie kenden. Dan confronteert de rector hen met het briefje. Ze zijn verraden! De verdenking valt op Rob. Die heeft net zulk bruin briefpapier, weet iemand. En als een ander Rob dan ook nog zo'n bruin briefje bij de rector in de bus heeft zien stoppen, twijfelen ze niet meer. Robs ontkennen helpt niet: hij wordt doodverklaard. Dat wil zeggen dat ze hem straal negeren. Net doen of-ie er niet is. Ongeveer het ergste wat een jongen kan overkomen..

Natuurlijk komt alles nog goed en zoals in elk goed boek heeft ook dit boek een onverwachte ontknoping. "Doodverklaard" is - ondanks genoemde blunder - verreweg het meest geslaagde boek van Schuil, alhoewel zijn andere klassiekers zoals "De katjangs" en "De AFC-ers" er natuurlijk ook mogen wezen.

Een ander werk, ook van een destijds bekende jongensboekenschrijver, in dit geval Ch. Krienen (1873-1945) heeft in die zin overeenkomsten met het vorige, dat de inhoud met de schrijver op de loop is gegaan. Het heet "Twee echte jongens" (1905). Op zekere dag verschijnt er op school een nieuwe jongen. Een Indische jongen! "Ja, hij was wel een flinke jongen, die Max, zooals hij daar kwam aanstappen, de borst vooruit, het hoofd een weinig achterover op de breede, vierkante schouders. Hij droeg een korte broek, waaronder de rechte, met zwarte kousen omgeven beenen flink, stevig uitkwamen. Zijn witte stroohoed stond een weinig scheef op de lange, zwarte haren." Dit wordt de eerste echte jongen uit het boek.

Een van de schooljongens, een zekere Ernst, is de andere echte jongen. Eerst is het nog vechten, maar al gauw ontstaat er een toenadering tussen Indische Max en Hollandse Ernst, die zich op een vreemde manier tot Max aangetrokken voelt. En als die, gebruikmakend van zijn status als zoontje van de fabrieksdirecteur in deze standenmaatschappij, waar trouwens het moraliseren van hoog tot laag aan de orde van de dag is, het bij de baron voor zijn vriend opneemt, kan hij helemaal niet meer stuk bij Ernst, die uiteraard slechts zoon van een eenvoudige fabrieksarbeider is.

"Max," zei Ernst, "daar denk ik aan iets. Weet je wel, dat wij niet altijd vrienden kunnen zijn?"
"Waarom niet?" vroeg Max verwonderd.
"Jij studeert, je wordt knap, je wordt een mijnheer en ik ..." vervolgde Ernst.
"Ernst," zei Max eensklaps, en hij keek zijn vriend met zijn eerlijke, trouwhartige oogen vol warmte aan, "daar moet je nooit meer over spreken. Ik wou alleen maar, dat wij altijd samen bleven, dat wij samen de wereld in gingen..."
"De wereld in, wat bedoel je?" vroeg Ernst haastig.
"Nu we hier samen zitten, zal ik je alles vertellen. Ik ga terug naar IndiŽ!"
Ernst schrikte op.
"Ga je weg, Max?"
"Ja - en als je wilt Ernst - ik hoop, dat je wilt, dan ga je mee."
En de twee echte jongens, zo hecht verbonden in echte jongensvriendschap, vertrekken met de stoomboot naar Ons IndiŽ, dat we toen nog hadden.

Het eigenlijke verhaal - voor zover er al van een duidelijk verhaal sprake is - speelt zich tussen de regels af. Kortom, een boek vol verborgen homo-erotiek. Of de schrijver zich daarvan bewust was?

Krienen is de auteur van ruim 30 jeugdboeken, waarvan de titels niet uitblinken door originaliteit en allerminst uitnodigen om er op aan te vallen. Meestal zijn ze genoemd naar de hoofdpersoon of hoofdpersonen (zoals trouwens gebruikelijk in die tijd, denk aan Dik Trom, Dick Bos en Pietje Bell). Net als zijn vermoedelijk met meer schrijftalent begiftigde collega's C. Joh. Kieviet en Chr. v. Abkoude was hij onderwijzer. Zijn verhalen spelen dikwijls in de plaats, waar hij onderwijzer was, zoals in 's-Gravenhage. Hij overleed in of aan de gevolgen van de Hongerwinter.