schrijf!

T & R jrg. 2013 aflev. 1
terug

REKENEN


Oefenopgaven

Opgaven (zonder de oplossingen) die in de volgende T & R gepubliceerd zullen worden, zodat u er alvast uw krachten op kunt beproeven:


TAAL

Het lijkt wel of literatuur steeds minder betekenis krijgt. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het internet en de daarmee gepaard gaande vormen van communicatie die de aandacht afleiden van zaken die er werkelijk toe doen. Las je vroeger 's morgens in de Volkskrant dat er een nieuwe Hermans "uit" was, dan moest je natuurlijk 's middags naar "de stad" om die als een der eersten, maar zeker niet als laatste, aan te schaffen. Voor Reve gold dat iets minder, die was met "De ondergang van de familie Boslowits" in 1950 eigenlijk al uitgeschreven, maar bleef op dat vroege werk zijn hele leven teren, want tegen beter weten in schafte je al zijn volstrekt onleesbare brievenboeken nog aan. Je las ze trouwens toch niet, want met een paar keer doorbladeren had je het wel gezien. Nog minder gold dat voor Harry Mulisch. Een nieuw boek van Harry was vooral een sensatie vanwege Harry zelf. En mocht W.F. Hermans "De compositie van de wereld" (1980) een onzinturf noemen, Harry's verkoopcijfers waren er niet minder om.

Schrijvers van dit kaliber zijn er tegenwoordig niet meer. Literatuur is verworden tot een met veel bombarie en televisieaandacht omgeven uitreiking van een door een bedrijf of uitgever beschikbaar gestelde prijs waar een of andere volstrekt onbekende Vlaming mee gaat strijken. Wij voor ons kunnen ons niet voorstellen dat iemand na het zien van zo'n uitreiking naar de boekwinkel snelt om dit volgens de jury zo meesterlijke meesterwerk aan te schaffen om het daarna in een adem uit te lezen.

Hoe anders was dat vroeger. De Jaren Vijftig van de Vorige Eeuw waren eigenlijk een ongekende bloeiperiode in de Nederlandse literatuur, die al was ingezet bij de Bevrijding. Alles wat voor de Oorlog iets te betekenen had op literair gebied, was verdwenen. Marsman, Ter Braak, Du Perron waren er niet meer en wie de oorlog wel had aangedurfd, was overbodig geworden. Alles was zo nieuw, zo anders, zo blinkend schoon, zo opgeruimd, zo netjes. De wereld had zichzelf heruitgevonden, leek het wel. "Uren en sigaretten", schreef Gerrit Kouwenaar (still with us) in 1946. "De avonden", schreef Simon van het Reve in 1947. "De tranen der acacia's" (een titel die we nooit begrepen hebben), schreef W.F. Hermans in - nu ja, wanneer zal het geweest zijn - 1949 of zo. Kom daar tegenwoordig ereis om.

Daar kwam bij, dat je toen nog geen internet had. De wereld van schermen en schermpjes was van papier. De boeken waren niet aan te slepen want daar stond het in. Wat er in stond wist je niet want daarvoor moest je ze eerst lezen. Had je zelf geen boeken, en dat kwam maar al te vaak voor, dan moest je ze lenen. De leeshonger was niet te stillen en zodanig, dat er zelfs leesbibliotheken in de buurt moesten zijn, anders was er een oproer uitgebroken. Het aanbod daarvan was weliswaar niet verheffend, maar dat deed er minder toe. Er moest gelezen worden en waar het in stond gaf niet, als het maar een boek was. Het bevorderde in feite de democratisering van taal in het algemeen en lezen in het bijzonder en maakte het onderscheid tussen de elitaire literatuur en de lectuur voor Jan-met-de-korte-achternaam (pet) minder schrijnend. Trouwens, wat had je aan Vestdijk, als cowboyboeken veel spannender waren?

Wie desalniettegenstaande de voorkeur gaf aan literatuur, zal zich herinneren dat het ook de tijd was, dat uitgever Querido met zijn fameuze reeks "Singel 262" (refererend aan het adres van die uitgever) begon. Schrijvers van dat fonds schreven daarin zelf een essay, gedicht, korte autobiografie, whatever zouden we tegenwoordig in ons leenengels zeggen. In 1948 verscheen het eerste deeltje en met de jaren, tot 1977, werd langzamerhand een belangrijke literatuurgeschiedenis opgebouwd, al betrof het dan alleen auteurs van Querido. Wij zijn in het gelukkige bezit van een vijftal deeltjes uit de beginperiode. Van de daarin (zelf)beschreven schrijvers zullen er niet veel meer in ons midden zijn. De toen nog jonge Leo Vroman is er nog, ja, scheidt af en toe nog een dichtbundel af. H.J. Oolbekkink, later het thrillerpad opgegaan, schijnt ook nog bovenaards te vertoeven. Zijn debuut "Met lege handen" uit 1953 over een hongertocht in 1945 was beslist niet onaardig, en zijn bijdrage in de 1956-editie van "Singel 262" - beslist een pareltje - is gewijd aan Scott Fitzgerald. Willem G. van Maanen, die - voor zover wij weten - nooit voor de P.C. Hooftprijs in aanmerking is gekomen en die ons onlangs is ontvallen, schrijver van dat onuitwisbare meesterwerk "De onrustzaaier" (dat moet u beslist nog eens lezen als u niet op het internet zit) is ook vertegenwoordigd met een interview waarin hij onthult dat de neus van Pinokkio eigenlijk, nu ja, in de Jaren Vijftig zal dan niet veel gemogen hebben, maar dat toch wel. Kortom, het was literair gezien een vruchtbare en vooral mooie tijd. Helaas komen mooie tijden zelden terug.