schrijf!

T & R jrg. 2012 aflev. 4
terug

REKENEN


Oefenopgaven

Opgaven (zonder de oplossingen) die in de volgende T & R gepubliceerd zullen worden, zodat u er alvast uw krachten op kunt beproeven:

1/ Van welke rekenkundige reeks is de som der eerste n termen altijd gelijk aan
an2 + bn ?
(Versluys, Algebraïsche vraagstukken voor meergevorderden, 2de stukje).

2/ Twee jongens gaan op reis. De een verteert iedere 5 dagen fl. 8 meer dan de ander. Zoo ieder aan het eind van zijn reis fl. 84 heeft verteerd, terwijl de eerste 6 dagen korter op reis is geweest dan de ander, vraagt men hoeveel ieder per dag heeft uitgegeven. (Versluys, Leerboek der algebra II).

3/ Als x en y geheele positieve getallen moeten zijn, die voldoen aan de vergelijking
3x + 5y = 208, wat is dan de grootste waarde, die x + y kan hebben?
(Ex. Hoofdacte Zwolle 1883 in Versluys, Algebraïsche vraagstukken, 3de stukje).


TAAL

Er zijn meesterwerken die niet tot de literatuur worden gerekend maar er toch echt bijhoren. Want meestal gaat het niet zozeer om de inhoud, maar om de auteur. Wordt die niet serieus genomen, dan deugt zijn werk natuurlijk ook niet. Een literaire prijs van enige betekenis zal hem (of haar) nimmer ten deel vallen. In het gunstigste geval zal een gemeente zeggen: Nu ja, hij heeft veel geschreven over onze mooie stad, hij heeft de Schilderskade beeldend tot leven gebracht, vooruit, de erepenning van onze stad is hem van harte gegund. Maar daar blijft het meestal bij.

Gerard van het Reve, de beroemde broer van de geleerde broer, heeft eens gezegd dat een groot schrijver nog geen goed mens hoeft te zijn (hij doelde op Céline, die "fout" was in de oorlog). Omgekeerd hoeft een goed mens nog geen slecht schrijver te zijn. Die logica lijkt van toepassing op schrijvers als Jan Mens en J.J. Frinsel. Frinsel deed iets moois bij de EO-radio en Jan Mens was volgens zijn kinderen de goedheid zelve.

"Kees de jongen" (1923) is een meesterwerk van Theo Thijssen. In diens tijd (1879-1943) waren er nog geen literaire prijzen, althans niet in de mate van tegenwoordig, waarbij de ene helft van het gesubsidieerde ons-kent-ons-circuit prijzen toekent aan de andere helft, anders had hij ze ongetwijfeld geweigerd. Met dat Volkskrant- en VPRO-wereldje zou hij niets te maken willen hebben. Maar voor Kees verdiende hij er een.

De Kees de Jongen van Jan Mens (1897-1967) heet "Koen" (ondertitel "roman van een jongen", 1941). Koen had een buurjongen van Kees kunnen zijn, want het verhaal speelt in dezelfde tijd, ca. 1900. Sterker nog, Mens en Thijssen kenden elkaar. Mens was van huis uit meubelmaker en maakte een boekenkast voor Thijssen. Die ontdekte al gauw dat Mens een geboren verteller was en raadde hem aan verhalen te gaan schrijven. Dan zou hij ze nakijken op taalfouten. Dus misschien is "Koen" wel gedeeltelijk geschreven door Thijssen.

De verschillen tussen de milieus waarin beide romans zich afspelen zijn echter groter dan de overeenkomsten. De vader van Kees is (net als die van Thijssen) schoenmaker, die van Koen (net als die van Mens) diamantslijper. De rode lijn door het verhaal van Kees is de dood van diens vader, terwijl de vader van Koen alleen maar een dronkaard is, wat echter geen invloed op zijn gedrag schijnt te hebben; zodat het in het verhaal niet storend is. Het is al bijzonder dat Koen in een tijd van grote gezinnen "enigst" kind is, maar hij lijkt ook nog ongewenst. Zijn moeder geeft hem er geregeld van langs met de vaatdoek, en wekt de indruk dat ze hem liever kwijt dan rijk is. De vader zit er bij en kijkt er naar.

Is Kees één doorlopend verhaal, Koen is opgebouwd uit hoofdstukken die afgeronde anekdotes zijn. Het zijn pareltjes van beschrijvingskunst die het Amsterdam van rond de vorige eeuwwisseling doen herleven. De weetgierige Koen snuffelend tussen de oude boeken op de markt van het Amstelveld. Of die de thermometer laat ontploffen als hij proefondervindelijk de sommen over Celsius en Fahrenheit probeert te doorgronden. Of die de portemonnee van Joris de Rijck vindt, maar er heel wat anders in aantreft dan die rijksdaalder zakgeld waarover Joris altijd snoeft. Een verrukkelijk meesterwerk zoals ze tegenwoordig niet meer geschreven worden.

Heel anders is "Jongens in overall" (1955) door J.J. Frinsel (* 1927). Hier geen Kees of Koen, maar Henk als hoofdpersoon in een verhaal dat rond 1950 zal spelen. Hier ook geen dooie of dronken vaders, maar oppassende lieden die zich bij hun levensvragen gesteund weten door hun geloof. Dat is ook meteen de rode draad die er doorheen loopt, want Henk heeft te worstelen met een probleem dat je niet zomaar oplost. Henk, een open, aardige jongen, gaat naar de ambachtsschool. Daar krijgt hij te maken met een zekere Gijs, een echte gluiperd uit een asociaal gezin. Steeds zit hij Henk dwars. Misschien omdat Henk populair is, en Gijs daar stilletjes jaloers op is. Bij Henk staat altijd de koffie klaar, en bij Gijs is het thuis behalve armoe troef altijd ruzie. Alleen voor zijn kleine zusje is Gijs een heel andere Gijs. Dan is het een zachte Gijs met een heel klein hartje. Au fond is Gijs dus minder slecht dan hij laat blijken, vooral naar Henk toe.

Tot op een zeker moment Henk wraak kan nemen. Tijdens een les verwisselt hij zijn gebroken vijl met die van Gijs, als deze even het lokaal verlaten heeft. Als Gijs ontdekt dat zijn vijl gebroken is, geeft hij Henk op hoge toon de schuld, maar die ontkent. Gijs moet een nieuwe vijl betalen. Die kost vijf gulden en die had hij bijeengeschraapt voor een verjaardagscadeautje voor zijn oogappeltje. Had Henk dat maar geweten, dan had hij het nooit gedaan. Want nu loopt alles vreselijk uit de klauw. Gijs gaat op een verschrikkelijke manier over de rooie. Hij smijt de vijl naar de leraar, die de boel wil sussen, waardoor diens bril aan diggelen gaat. De leraar sleurt hem de klas uit, en Gijs wordt van school getrapt. Daarna gaat het van kwaad tot erger met Gijs. Hij vindt weliswaar een baantje in een fabriek, maar als een zogenaamde collega refereert aan Gijs' schoolcarrière, wordt het weer vechten. En Gijs vliegt er andermaal uit. Hij neemt 's nachts wraak door in de fabriek in te breken en grote schade aan te richten. En ten slotte belandt hij in een jeugdinrichting.

Natuurlijk is Gijs een agressief kereltje met een kort lontje, maar is Henk eigenlijk zo veel beter? Henk had natuurlijk zijn mond kunnen houden, maar doet dat niet. Wroeging begint aan hem te knagen en niet zo'n beetje. Henk wordt er ziek van. Hij is christelijk opgevoed en ten slotte biecht hij alles op bij zijn favoriete oom, die ook Henk heet, Oom Henk dus. Let wel, dan weten ze nog niet hoe het Gijs is vergaan. Dat weten ze pas als Oom Henk op onderzoek uitgaat. Dat Gijs gewoon weer naar school kan, is dan al uitgesloten. En Henk? Die gaat wel gewoon weer naar school, alsof er niets gebeurd is. Of de jongens in overall hem weer als een hunner zullen accepteren, dat laat de auteur in het ongewisse. Een roman met een open einde dus. Niks eind goed al goed. Dat maakt het boek nog sterker dan het al is.