schrijf!

T & R jrg. 2012 aflev. 2
terug

REKENEN


Oefenopgaven

Opgaven (zonder de oplossingen) die in de volgende T & R gepubliceerd zullen worden, zodat u er alvast uw krachten op kunt beproeven:


TAAL

Hoelang de leerplichtwet vroeger leerlingen verplichtte onderwijs te volgen, weten wij niet, omdat het ons onbekend is. We kunnen het natuurlijk opzoeken, maar het interesseert ons niet en in verband met hetgeen we hier ter sprake willen brengen, is het ook niet van belang. "Vroeger", dat was bij voorbeeld in de tijd van Kees de Jongen en Koen Oortgijzen, maar ook in de Jaren Vijftig (van de 20ste eeuw) en wellicht nog in de Jaren Zestig (van diezelfde eeuw), was het ongeveer tot 12-jarige leeftijd. Dan had je de zogenaamde Lagere School, die 6 leerjaren van elk een jaar telde, voltooid, en ging je naar "een baas". Er was dus volop werkgelegenheid en dat moest ook wel, want anders had je niet te eten. Een lijfspreuk luidde immers: wie niet werkt zal niet eten, dus er was weinig keus. Slechts een enkeling ging naar het vervolgonderwijs om "door te leren", let wel, niet te studeren, dat was van een hogere orde. Voorlopig betrof het vervolgonderwijs de middelbare school. Die had je in twee soorten, de makkelijke Mulo en de moeilijke Hbs. Daarnaast had je nog het gymnasium, het instituut voor de betere kringen, dat (heel) vroeger zelfs tot het Hoger Onderwijs werd gerekend. De Mulo was voor velen eindstation en meestal het begin van een bloeiende, 48 jaar durende kantoorloopbaan. De Hbs daarentegen, en het gymnasium helemaal, waren tussenstations voor de volgende vervolgopleiding, het al genoemde Hoger Onderwijs aan universiteiten en hogescholen. Daar werd je - mits de verstandelijke vermogens aanwezig waren natuurlijk - dokter, jurist of ingenieur. Veel meer smaken waren er niet, want vakken als bedrijfskunde of politieke "wetenschappen" moesten nog worden uitgevonden. Gelukkig maar.

Zo zat de maatschappij dus vroeger in elkaar: duidelijk en overzichtelijk. Er heerste rust en orde. Iedereen kende zijn plaats en anders werd je er wel op gewezen. We weten allemaal hoe het sindsdien gegaan is: dat het onderwijs op een verschrikkelijke manier is achteruitgekacheld. Als omslagpunt wijst men vaak het inwerkingtreden van de Mammoetwet in 1968 aan, het begin van de keuzevakken en het multiple choise-onderwijs. Onderwijzers, die tegenwoordig zijn opgewaardeerd tot leraren, maar niet halen bij de kunde en kennis die hun voorgangers bezaten, kunnen hun eigen naam nog niet eens schrijven en een eenvoudige rekensom is ook al niet aan hen besteed. Maar wist u, dat er voor die tijd ook al het een en ander geschrapt werd in de exameneisen? Zo was het lesprogramma van de Hbs in bijvoorbeeld 1937 aanzienlijk zwaarder dan dat in 1961. Die afkalving was dus slechts de opmaat voor de latere Mammoetwet.

Door alles heen was het onderwijs in Taal gevlochten. Het was dus niet zo, dat de taal, die je van huis uit had meegekregen en als communicatieinstrument bezigde, volstond; daar moest nog het een en ander aan worden "bijgeschaafd" (welk woord minder fout is dan sommigen beweren). Ja, ook vreemde (buitenlandse) talen stonden op het programma, op de Lagere School Frans, vermoedelijk nog een overblijfsel van de Franse bezetting begin 19de eeuw. Wel handig, niet zozeer voor een buitenlandse reis, want je kwam toch nauwelijks je stad of dorp uit, maar wel voor het vervolgonderwijs, want daar kreeg je er mee te maken. Maar ook het Nederlands zelf kreeg al vroeg speciale aandacht. Je kreeg in de hogere klassen van de Lagere School redekundig en taalkundig ontleden. Wat je eraan had was onduidelijk, maar daar dacht je niet aan, want dat gold voor zoveel andere vakken ook. Het was het kenmerk van degelijk onderwijs, zinloos, maar je moest bewijzen door een zure appel heen te kunnen bijten.

Het onderwijs in het Nederlands op het vervolgonderwijs stelde weliswaar niet veel voor, maar mocht er toch waarachtig wel wezen. Voor het eindexamen van de Hbs gold in de Jaren Vijftig voor de "Nederlandse taal en letterkunde" de eis dat "De kandidaat moet bewijzen, dat hij zich in de Nederlandse taal zowel schriftelijk als mondeling juist en vaardig kan uitdrukken, dat hij die zuiver kan spellen, dat hij goed kan lezen en het gelezene verstaat. Bovendien moet de kandidaat bij het mondeling examen de bewijzen geven, dat hij enkele van de voornaamste voortbrengselen van de letterkunde uit verschillende perioden met vrucht heeft gelezen, dat hij die in verband weet te brengen met de tijd, waarin zij ontstonden en dat hij bekend is met enige der voornaamste figuren uit onze letterkunde. Bij de bepaling van het cijfer voor het schriftelijk werk voor de Nederlandse taal wordt ook rekening gehouden met het Nederlands van de schriftelijke vertalingen uit de Franse, de Engelse en de Hoogduitse taal." Wie dan ook nog een goed geolied opstel kon schrijven (allemaal afgeschaft tegenwoordig) en verder aan alles naar behoren voldeed, kon de toekomst met vertrouwen tegemoet zien.

Aan de grammatica, de ruggengraat van de taal, werd wat het Nederlands betreft, bij het vervolgonderwijs echter nog nauwelijks aandacht geschonken; men bouwde op het stevige fundament, dat reeds bij het Lager Onderwijs werd gelegd, en wie daarna ging "studeren" werd wat de taal betreft geheel aan zichzelf overgelaten, omdat hij immers reeds bewijzen had geleverd over de nodige vaardigheden te beschikken. De grammatica van de andere talen steunde overigens geheel op het Nederlands, voornamelijk voor het herkennen van de juiste naamval en de daaraan verbonden consequenties, en beperkte zich voor het overige tot het leren van "woordjes" en "rijtjes" van uitzonderingen die een bepaalde naamval konden be´nvloeden. Maar niet alles draaide bij taal om de techniek. Taal kon behalve geschreven ook gelezen worden. Dan kwam de taal via boeken tot je. En viel er heel wat te genieten. Weliswaar werden boeken je via de zogenoemde boekenlijst voor het examen opgedrongen, maar soms was lezen een feest. Wßs een feest, want de Grote Nederlandse Schrijvers zijn inmiddels allemaal overleden. En de boekwinkels dan: prachtzaken, boekenpaleizen, allemaal weg. De teloorgang van de cultuur lijkt niet te stuiten.